Kennis
Wat NEN 1010 vraagt bij de kabelkeuze
Welke uitgave wettelijk geldt, welke bepalingen de doorsnede bepalen en waar de norm naar het Bbl verwijst.
NEN 1010 is de Nederlandse norm voor laagspanningsinstallaties; het Bbl maakt de norm verplicht (artikel 4.199). Wettelijk geldt nog de uitgave 2015 met C2:2016 en A1:2020; de actuele norm is NEN 1010:2020 met C1:2024. Voor de kabelkeuze tellen de koppeling met de beveiliging (433.1), de stroomtabellen 52.B.2 tot en met 52.B.13 met hun correctiefactoren, de minimale doorsnede (tabel 52.2) en de spanningsval (525). De CPR-klasse komt uit het Bbl, niet uit NEN 1010.
NEN 1010 is de Nederlandse norm voor elektrische installaties voor laagspanning, tot 1.000 V wisselspanning en 1.500 V gelijkspanning. De norm is de Nederlandse uitwerking van de internationale reeks IEC 60364, aangevuld met Nederlandse bepalingen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) maakt de norm verplicht: volgens artikel 4.199 voldoet een voorziening voor elektriciteit in een nieuw gebouw aan NEN 1010.
Welke uitgave dat is, staat in bijlage II van de Omgevingsregeling. Op dit moment is dat nog NEN 1010:2015 met correctieblad C2:2016 en wijzigingsblad A1:2020. De nieuwere NEN 1010:2020, sinds medio 2024 met correctieblad C1, is de actuele norm, maar de wettelijke aanwijzing ervan is uitgesteld. Bij kabel in de grond doet het verschil tussen de uitgaven van 2015 en 2020 ertoe, zoals verderop blijkt. Voor bestaande gebouwen verwijst het Bbl zelfs nog naar de uitgave uit 1962.
Voor de kabelkeuze tellen vooral hoofdstuk 43 en deel 5-52. Bepaling 433.1 koppelt de kabel aan de beveiliging. De ontwerpstroom IB mag niet groter zijn dan de nominale stroom In van het beveiligingstoestel, en In niet groter dan de toelaatbare stroom IZ van de kabel. Daarnaast moet de aanspreekstroom I2 van het toestel binnen 1,45 × IZ blijven. De IZ zelf staat in de tabellen 52.B.2 tot en met 52.B.13, per verleggingsmethode. Die waarden gelden voor één circuit, bij 30 °C in de lucht of bij 20 °C en een bodemweerstand van 2,5 K·m/W in de grond.
Wijkt de situatie af, dan corrigeert u met de factoren uit bijlage 52.B. Tabel 52.B.14 is voor een andere luchttemperatuur, 52.B.15 voor een andere grondtemperatuur en 52.B.16 voor een andere bodemweerstand. De tabellen 52.B.17 tot en met 52.B.21 gaan over meerdere circuits naast elkaar: gebundeld, in de grond, in buizen in de grond of op een kabelgoot. De factoren vermenigvuldigt u met elkaar. Liggen zeven kabels tegen elkaar direct in de grond, dan geeft tabel 52.B.18 al een factor van 0,45.
Twee ondergrenzen voor de doorsnede staan los van de belastbaarheid. Tabel 52.2 bij bepaling 524.1 noemt voor vaste installaties een minimale doorsnede van 1,5 mm² koper voor kracht en licht, en 0,5 mm² voor meet- en stuurstroomkringen. Bepaling 525 begrenst de spanningsval tussen het begin van de installatie en het aansluitpunt op 5% van de nominale spanning; bijlage 52.G beveelt voor verlichting 3% aan. Op lange kabelroutes beslist de spanningsval vaak over de doorsnede, niet de belastbaarheid.
Bij kabel in de grond verschillen de uitgaven. NEN 1010:2020 vraagt in bepaling 522.8.10 dat een kabel in de grond beschermd is of zo diep ligt dat beschadiging onwaarschijnlijk is. De Nederlandse bepaling 522.8.10.1 vraagt buiten gebouwen een sleufdiepte van minimaal 0,5 m, en de kabel moet gemarkeerd zijn met een afdekking of een markeringslint. De oude Nederlandse eis dat ongewapende kabel in de grond extra bescherming nodig heeft, zoals een buis, is in NEN 1010:2020 geschrapt. In de uitgave uit 2015, die wettelijk nog geldt, staat die eis wel. Legt u ongewapende kabel zonder buis in de grond, stem dat dan vooraf af met de opdrachtgever of de keurder.
De kleuren van de aders volgen via bepaling 514.3 de norm NEN-EN-IEC 60445. Groen/geel is alleen voor de beschermingsleiding, blauw voor de nul, en bruin, zwart en grijs zijn voor de fasen. De doorsnede van de beschermingsleiding staat in tabel 54.2: tot en met 16 mm² gelijk aan de fasegeleider, boven 16 tot en met 35 mm² 16 mm², en daarboven de helft van de fasegeleider. U mag de doorsnede ook berekenen uit de kortsluitstroom; die uitkomst is vaak kleiner.
Het brandgedrag van kabel regelt NEN 1010 niet zelf. Wijzigingsblad A1:2020 haalde de eisen daarvoor uit de uitgave van 2015, en NEN 1010:2020 verwijst ervoor naar de bouwregelgeving. Die eisen staan nu in het Bbl. Artikel 4.45a met tabel 4.42 bepaalt de minimale CPR-klasse per gebruiksfunctie en per ruimtesoort. NEN 8012 is daarbij een hulpmiddel, geen wettelijke eis. Hoe dat per ruimte uitvalt, leest u in het artikel over Cca en Dca.
Moet u een doorsnede onderbouwen voor een keurder of in een bestek? Stuur de ontwerpstroom, de lengte, de verleggingswijze en het aantal circuits naast elkaar. Wij rekenen de doorsnede na met de tabellen uit NEN 1010 en noemen de factoren die wij gebruikten.
In onze kabelkiezer, tabblad Kabeldoorsnede.